Een einde aan angst
Bron: www.zorgkrant.nl
Een team van onderzoekers onder leiding van Vici-winnaar Merel Kindt is er in geslaagd om angst te
verminderen.
Door de toediening van de bètablokker propranolol hebben zij bij menselijke proefpersonen angstherinneringen
weten te verzwakken. Opvallend is dat de angstrespons na verloop van tijd niet terugkeert. Toptijdschrift Nature
Neuroscience publiceerde de bevindingen op 15 februari. Hoewel men er tot voor kort vanuit ging dat het
angstgeheugen onuitwisbaar is, tonen de onderzoekers met hun onderzoek aan dat ingrijpen in het menselijke
emotionele geheugen wel degelijk mogelijk is.
Wijzigingen opslaan
Voordat herinneringen aan angst worden opgeslagen in het langetermijngeheugen, is er tijdelijk een labiele fase.
Op dat moment vindt er een proteïnesynthese plaats die de herinneringen als het ware vastlegt. Het traditionele
idee was dat de herinnering na deze fase vastligt, en dus onveranderbaar is. Maar deze proteïnesynthese treedt ook
op wanneer herinneringen worden opgehaald uit het geheugen en op dat moment is er dus weer een labiele fase. De
onderzoekers zijn er in geslaagd om juist in deze fase succesvol in te grijpen.
Tijdens experimenten toonden de onderzoekers afbeeldingen van twee verschillende spinnen aan hun proefpersonen.
De ene spin ging gepaard met een pijnprikkel, de andere niet. Uiteindelijk vertoonden de proefpersonen een
schrikreactie (angst) bij het zien van de eerste spin, zonder dat de pijnprikkel werd toegediend. De angst voor
deze spin was dus aangeleerd.
Een dag later werd het angstgeheugen weer geactiveerd, waardoor de proteïnesynthese opnieuw optreedt. Vlak voor
de reactivatie kregen de proefpersonen de bètablokker propranolol toegediend. Op dag drie bleek dat de
proefpersonen die propranolol hadden gekregen geen angstrespons meer toonden bij het zien van de spin, in
tegenstelling tot de controlegroep die een placebo had gekregen. De groep die wel propranolol had gekregen, maar
waarbij het geheugen niet opnieuw was geactiveerd, vertoonde ook nog steeds een sterke schrikreactie. De
angstrespons werd gemeten met twee elektroden onder het oog die de oogknipperreflex meten. Zo meet men een respons
die direct wordt geïnitieerd door de amygdala, het emotionele centrum van het brein.
Zoeken in verwijderde items
De cognitieve gedragstherapie is momenteel de dominante en meest effectieve methode om angststoornissen te
behandelen. Hierbij wordt de patiënt blootgesteld aan datgene wat hij vreest, zonder dat de gevreesde consequentie
optreedt. Deze methoden boeken vaak slechts kortstondig resultaat. Na verloop van tijd keren de angsten veelal
terug.
Opvallend is dat de angstherinneringen na de behandeling met propranolol en geheugenreactivatie, niet meer op te
roepen zijn met een veelgebruikte techniek waarbij de losse pijnprikkels opnieuw worden toegediend. Dit wijst erop
dat de angstherinnering ofwel volledig gewist is, of niet meer terug te vinden is in het geheugen. Belangrijk is
dat de proefpersonen zich nog wel het verband tussen de spin in de pijnprikkel herinneren, maar dat deze
herinnering geen emotionele reactie meer oproept. In vervolgonderzoek zullen Kindt en haar collega’s verder
onderzoeken wat de effecten van de toediening van propranolol zijn op de langere termijn.
Behandelen van angststoornissen
De onderzoekers verwachten dat de resultaten van deze studie kunnen bijdragen aan een nieuwe procedure van
behandeling van patiënten met angststoornissen. De methode grijpt op een volledig andere manier in op het geheugen
dan conventionele methoden. De traditionele cognitieve gedragstherapieën richten zich veelal op het creëren van
nieuwe herinneringen.Deze methode richt zich echter op het verzwakken van het bestaande emotionele geheugen.
Merel Kindt ontving voor haar vernieuwende onderzoek in 2007 een Vici-subsidie van NWO. Het onderzoek werd
uitgevoerd door Kindt, Marieke Soeter en Bram Vervliet aan de UvA.
Een einde aan angst
|